![]() |
HISTORYof theMULLER ORGANatWESTERBORKreturn |
Lange tijd gold het orgel in de Hervormde kerk van Westerbork als een oud orgel van onbekende herkomst. Op een gegeven moment, rond 1980, was het orgel er slecht aan toe. Na een pre-advies van de Orgelcommissie van de Ned. Herv. Kerk benoemde de kerkvoogdij Klaas Bolt als adviseur.
Klaas Bolt begon met het oog op een historisch rapport met een
onderzoek van het aanwezige archiefmateriaal in Westerbork. Dat leverde
echter niet zoveel op. In 1862 was het orgel "geleverd" door P.
van Oeckelen. Duidelijk was echter, dat het huidige orgel niet van Van
Oeckelen was.
Een groot deel van de legpuzzel bleek zich uiteindelijk elders te
bevinden. In al die gevallen van levering van oude orgels is het immers de
moeite waard na te gaan, wat die leverancier aan nieuwbouw maakte in de
jaren voor die levering. Zo leidde het spoor naar Beetgum,
waar P. van Oeckelen in 1861 een nieuw tweeklaviers orgel maakte.
Knock meldt van het voormalig orgel van Beetgum de dispositie:
Praestant 8 v.
Holpijp 8 v.
Octaaf 4 v.
Quint 3 v.
Super Octaaf 2 v.
Sexquialter discant
Mixtuur 3 St.
Tremulant
Afsluiting
Windlossing
Een dispositie zonder in het oog lopende kenmerken weliswaar, niet
geheel overeenkomend met het orgel van Westerbork bovendien (de Trompet
ontbreekt), maar in het algemeen toch een gegeven van belang, omdat het
orgeltype er in grote lijnen mee overeenkomt.
Een nader onderzoek van het archief van de Hervormde Gemeente van
Beetgum bracht in de eerste plaats aan het licht, dat Van Oeckelen het
oude orgel inderdaad ingeruild had.
r zijn twee bestekken voor de bouw van het nieuwe orgel bewaard
gebleven. Eén bestek van Willem Hardorff (die het oude orgel
onderhield toen over nieuwbouw werd gesproken), ongedateerd, niet
ondertekend, de aanneemsom niet ingevuld. Het tweede bestek van P. van
Oeckelen, gedateerd "juny 1860" en ondertekend namens de
orgelmakers door P. van Oeckelen, C. A. van Oeckelen en H. van Oeckelen.
In beide bestekken komt, eensluidend, de volgende bepaling voor:
Het oude orgel moet dienstbaar blijven totdat de kast van het nieuwe
orgel geplaatst wordt.
De Kerkvoogden zullen proberen het oude orgel zo voordelig mogelijk
te verkopen. Wanneer dat niet lukt dan moet de orgelmaker het innemen voor
een bedrag dat hij per inschrijvingsbiljet heeft gedeponeerd.
Toen het spoor naar Beetgum juist bleek, was ook de vraag naar de
maker van het orgel in feite al opgelost.
Eén van de zeer te waarderen speurders naar gegevens uit de
Friese historie, de heer Sytze ten Hoeve, had in juni 1978 in het orgaan
'Ut de smidte' van de Frvske Akademy gepubliceerd wat hij
betreffende het orgel van Beetgum in het Schwarzenherg-archief had
aangetroffen. Uit twee betalingsopdrachten met kwitanties blijkt, dat
Christian Müller "een compleet orgel gemaackt" heeft "den
20 Januari afgelevert inde kerck tot Betgom". Hij ontving hiervoor
628 Caroliguldens. Breder bekend werd deze archief-vondst door de bijdrage
van Meindert van der Galiën: Müller en Schwartsburg vondsten
en vragen in DE MIXTUUR, nr. 26, oktober 1978. Het orgel dat Muller
bouwde, is allerminst nieuw geweest. Kas en technische delen zijn zeker
uit 1725-'26, het pijpwerk is echter overwegend ouder. Vreemd is daarbij
dat het pijpwerk niet de eigenschappen van de traditionele 1 7de-eeuwse
Friese orgelbouw bezit, een zware factuur met dikke pijpwanden en een hoog
loodgehalte, zoals we doorgaans in het werk van de orgelmakers Baders en
Harmens aantreffen. Het pijpwerk van Beetgum, nu in Westerbork, is
daarentegen dun van wand, met daarbij wel een hoog loodgehalte, en daarom
gevaarlijk zacht en fragiel. In de periode tussen het overlijden van
Schwartsburg en de vestiging van Lambertus van Dam en Albertus van Gruisen
zijn in Friesland geen orgelmakers van formaat voorhanden. Soms komen we
dan Hinsz tegen, maar in meerderheid toch een groot aantal orgelmakers van
een tweede plan.
Zo is het ook in Beetgum gegaan. Kennelijk heeft men naar een orgelmaker
moeten zoeken, want tot 1754 wordt er niets aan onderhoud uitgegeven. Van
1754 tot 1759 stemt ene Johannes Jans het orgel voor 5 Caroligulden per
jaar. Hij is de meest onbekende in de rij. In diezelfde tijd stemde hij
het voormalig orgel van Bergum, een (waarschijnlijk) 1 7de-eeuws
instrument met Hoofdwerk en Rugwerk, waar we (nog) niet zoveel van weten.
Dan treffen we Pieter de Vries aan. Hij was organist van Galileeërkerk
te Leeuwarden. Van 1760 tot 1776 onderhield hij het orgel van Beetgum, in
1777 overleed hij. (Is er mogelijk een samenhang tussen het overlijden van
De Vries en de komst van Lambertus van Dam naar Leeuwarden?) Van 1777 tot
1782 stemt A. van Kampen (Campen) uit Koudum het orgel. Ook hij is geen
onbekende als stemmer, reparateur en handelaar in orgels. Hij was organist
te Koudum. Het bedrag voor de stemming bleef altijd 6 gulden en 6
stuivers. Soms alleen zes gulden, soms iets meer als er wat aan de balgen
(1782) of aan het torenuurwerk (1781) moest gebeuren. Als laatste in deze
rij treedt Albertus S. Hempenius op, die van 1784 tot 1789 het 'orgel
stellen' uitvoert, ook weer voor 6 Caroligulden en 6 stuivers. Dan komt
het onderhoud in handen van Albertus van Gruisen, orgelmaker te
Leeuwarden. Hij begint met een ingrijpende herstelling, kennelijk
uitgevoerd in 1792. De eerste termijn wordt namelijk in november 1791
uitbetaald, de tweede en laatste termijn in januari 1793. In totaal was
met deze werkzaamheden een bedrag van 225 caroligulden gemoeid. Wat Van
Gruisen ervoor deed, weten we niet. Wijzigingen werden niet uitgevoerd,
dat kunnen we wel uit het orgel afleiden. Het pedaalklavier dat er nu nog
is, kan heel goed van Van Gruisen zijn. Het vertoont de karakteristieke
factuur, die we ook bij Hinsz en Freytag aantreffen, met schuin
afgeschaafde zijkantjes aan de toetsen. Tot 1818 stemden de orgelmakers
Van Gruisen jaarlijks het orgel voor het vaste bedrag. Meestal staat
Albertus van Gruisen bij de betaling genoemd, een enkele keer Johannes van
Gruisen, na 1812 meermalen Willem van Gruisen.
In 1807 werden reparaties aan de kanalen uitgevoerd. Wanneer in 1819
werkzaamheden aan het dak van de kerk zijn verricht, waaronder vernieuwing
van de leien, blijkt het noodzakelijk te zijn, het orgel te herstellen. De
opdracht hiertoe wordt aan Johann Adolf Hillebrand gegeven, een leerling
van Albertus van Gruisen, die vooral opvalt door dubieuze kwaliteit en een
slechte verstandhouding met zijn leermeester. Voor fl 189,65 herstelt
Hillebrand het orgel, wat volgens het rekeningboek inhield het schoonmaken
van het orgel en het vergulden en verzilveren (foeliën) van de
frontpijpen. Stemmen deed Hillebrand voor 7 gulden, maar dat komt maar één
keer voor (1828). De overige jaren was er altijd wel wat te repareren en
liep het bedrag op tot 10, of zelfs tot 22 gulden. Na een paar jaar
onderbreking van het onderhoud (1830-'31) komt in 1832 Willem van Gruisen
hiervoor terug. Tot 1837 is er weer sprake van regelmaat, eveneens m.b.t.
het bedrag, fl 6,30 per jaar. Géén onderhoud is uitgevoerd
in de periode 1838-1843. In laatstgenoemd jaar overleed Willem van
Gruisen, en wordt de orgelmakerij gecontinueerd door Willem Hardorff
(aanvankelijk met T. van der Meer, maar al spoedig alleen). Willem
Hardorff komt in 1844 al stemmen, en doet dat met enkele onderbrekingen
van één jaar tot 1858. Aan de onregelmatigheid van de
bedragen is te zien, dat er toen altijd wel wat mankeerde aan het orgel.
Dat zal dan ook wel de reden zijn geweest om naar een ander orgel om te
zien. Dat moest dan ook een groter en moderner werk worden, naar de
nieuwste smaak. Welnu, dat werd het ook, het nieuwe orgel van Van
Oeckelen, dat er in 1861 kwam nadat Hardorff dus de opdracht aan zich
voorbij had zien gaan. Het oude orgel werd als afdankertje aan Van
Oeckelen overgedaan, zoals veelal gebruikelijk was. Is het geen
merkwaardige coïncidentie dat ook dit ingeruilde instrument door Van
Oeckelen in de provincie Drente werd geplaatst, evenals het oude orgel van
Akkrum (thans in Veenhuizen), vijf jaar eerder?
Lotgevallen in Westerbork
Het orgel geeft te kennen, dat Van Oeckelen niet al te veel heeft
veranderd aan het Müller-orgel toen hij het in Westerbork plaatste.
Er is ooit een Viola di Gamba 8 vt geplaatst waarvoor de Sexquialter moest
wijken. Misschien is dat gelijk in 1862 gebeurd. Maar verder bleef het
orgel in hoofdlijnen intact. Vooral voor onderdelen als klavier,
pedaalklavier, windvoorziening, die, afgezien van de dispositie, nogal
snel vernieuwd werden in die tijd, is dat heel opmerkelijk.
In 1953 werd het orgel gerestaureerd door de orgelmakers Gebr. Van
Vulpen te Utrecht. Naast herstel van technische aard waarbij de lade op
klassieke wijze gerestaureerd werd, vond dispositieherstel plaats door het
herplaatsen van een Sexquialter en het verwijderen van de Viola di Gamba.
Naar de mode van die tijd werd de klankgeving opgezet vanuit een lage
winddruk (60 mm) en werden de voetopeningen drastisch vergroot. Ook werd
het pijpwerk een halve toon verschoven. De toonhoogte was daarna bijna een
halve toon boven 440. De frontpijpen werden van nieuw tinfoelie voorzien
Restauratie door Albert H. de Graaf (1983-1987)
Ten behoeve van de kerkrestauratie werd het orgel, dat vrijwel
onbespeelbaar was geworden, in 1983 gedemonteerd. De eigenlijke
restauratie, uitgevoerd door orgelmaker A.H. de Graaf onder advies van
Klaas Bolt vond plaats in 1986-'87. Op 1 oktober 1987 vond de
ingebruikname plaats, waarbij Klaas Bolt het orgel bespeelde.
De restauratie omvatte de volgende werkzaamheden
*De kas werd hersteld, werd geschilderd in Venetiaans rood (ongeveer
overeenkomend met de kleur van Leeuwarden), en het bladgoud op de
Blinderingen en ornamenten werd nieuw aangebracht.
*Balgen en kanalen werden hersteld.
*De mechanieken werden hersteld, delen van de manuaalmechaniek
werden vernieuwd, zoals twee winkelbalken, de verticale abstractuur en
alle draadwerk.
*De totaal kapotgestookte windlade werd hersteld. Daarbij werden
alle scheuren in sponsets gespied, terwijl bij het ventiel-draaipunt
bruggetjes dwars werden ingezet. De belering werd aan onder- en bovenzijde
opnieuw aangebracht. Op de stokken werden ringen van geweven stof geplakt
ter afdichting.
*Het pijpwerk werd met grote zorg gerestaureerd nadat een volledige
Inventarisatie de oorspronkelijke plaats van alle pijpen had vastgesteld.
Met name bij de Mixtuur bleek nogal wat verplaatst te zijn. Besloten werd,
het pijpwerk te verlengen tot de toonhoogte 440. Uitgaande van de
toonhoogte-inscripties kon niet de hogere koortoon gekozen worden omdat
dan bij de frontpijpen in authentiek materiaal zou moeten worden gesneden.
De voetopeningen werden verkleind, als winddruk werd 72 mm vastgesteld.
*Als temperatuur is thans een vrijwel gelijkzwevende temperatuur
ingestemd, nadat de laatste verfijningen in de afwerking zullen zijn
aangebracht ligt het in de bedoeling een temperatuur volgens Neidhardt aan
te brengen.
*De Sexquialter van 1953 werd door een nieuwe Sexquialter vervangen.
Beschrijving van het orgel
Hoewel aan de ene kant typerende Müller-trekken zoals
de zevendelige frontstructuur en de deling van de tussenvelden in drieën
niet aanwezig zijn (waardoor het orgel waarschijnlijk ook nooit als een
werk van Mij her is herkend), zijn er anderzijds toch wel veel kenmerken
in het front aanwijsbaar die Müllers auteurschap en de bouwtijd
bevestigen. Het spreekt vanzelf dat het Leeuwarder Müller-orgel
daarbij dan als referentiepunt optreedt. Het orgel van Westerbork heeft
een vijfdelige frontstructuur met zeven pijpen per toren en gedeelde
tussenvelden met elk zes pijpen.
De frontpijpen bezitten rond ingeritste labia die verguld zijn.
Zijbaarden zijn niet aanwezig.
De in 1953 aangebrachte tinfoelie is bij de thans uitgevoerde
restauratie gehandhaafd. Overeenkomsten met Leeuwarden zijn vooral
aanwijsbaar in de vorm van de kappen van de drie torens, met name de
profilering daarvan, en in de vormen en motieven van het
blinderingssnijwerk. Uiteraard is het zo, dat overeenkomst van stijl, in
dit geval Régence, vanzelf tot congruentie van vormen en
motieven leidt. In dit geval gaat het dan om banden, omrankt met blad- en
bloemmotieven, ruitwerk en C-voluten. Maar binnen dat vaststaand gegeven
is toch een opmerkelijke overeenkomst in de hoofdvorm en uitvoering te
zien, bijvoorbeeld in de vleugels, vergeleken met de vleugels van het
Rugwerk te Leeuwarden. Ik moet er direct aan toevoegen dat er ook
verschillen zijn. Zoals de curieuze oplossing tussen de spitskappen en de
middentoren: het blinde-ringssnijwerk boven de bovenste tussenvelden met
C-voluut en ruitwerk, met, los daarvan, boven de profiellijst van de kap
de elegante verbinding tussen spitskap en stijl van de middentoren. Ook
opvallend, en afwijkend van Leeuwarden is het onderste detail van de
vleugels, een minuscuul draperietje met kwastjes. Generaal gesproken is
het blinderingssnijwerk van Westerbork bovendien grilliger, consistenter
en beheerster dan dat in Leeuwarden.
De gehele kas is van eiken. Alleen het onderste zetluik in de
achterwand is van vuren. Verondersteld wordt, dat in 1726 delen van een
oudere kas gebruikt zijn, ingepast in het Müller-concept. De 87 cm
diepe kas is geschilderd in een fraaie, ingehouden rode tint (ongeveer
overeenkomstig de kleur van Leeuwarden) waarbij de vleugels en
blinderingen verguld zijn. De onderkas is eenvoudig van constructie. Er
zijn vier stijlen aan de voorzijde, de buitenste vakken zijn verdeeld in
twee panelen met een profiellijstje, in het middelste vak zijn klaviatuur,
lessenaar en knieschot geplaatst. Knieschot en lessenaar zijn met kleine
metalen schuifjes vergrendeld (evenals in Leeuwarden).
Curieus zijn de bolle hoekprofielen op de hoeken van de buitenste
stijlen.
De achterwand zit, in verhouding tot de simpele structuur van het
orgel, tamelijk gecompliceerd in elkaar: gescheiden door tussenregels zien
we van onder naar boven: een zetluik (ruimte onder walsbord), twee deuren
(bij walsbord), een losse plank over de gehele breedte (bij ventielkast),
een dubbel scharnierend stemluik over de gehele breedte, met ringen aan
haken te bevestigen (in hoofdzaak voor stemmen Trompet) en tenslotte
zetluiken in het bovenste gedeelte.
Detail van het front, linker vleugelstak Let op het
draperietje met de kwastjes onderaan.
Mooi is ook hoe Uit de onderste C-voluut een tak met bladeren
ontspringt die de opening Van de bovenste C-voluut VUIL
Bakstuk rechts Let ook op details als de boventoetsen met ebben
beleg, de geprofileerde onderlijst van het klavier en het metalen schuifje
waarmee de lessenaar is vastgezet.
Klaviatuur
Wat bij het klavier natuurlijk in de eerste plaats opvalt is de
prachtige uitvoering van de bakstukken. Ze zijn in twee opzichten zo
bijzonder. In de eerste plaats, omdat het unica zijn en onverwacht van
vorm binnen het Muller-kader. Of die verwachting terecht was, valt te
bezien. Alleen de bakstukken van het Bavo-orgel zijn originele exemplaren,
daarnaast zijn enkele authentieke klavieren met bakstukken van
kabinetorgels bekend. Maar omdat die kabinet-orgelbakstukken toch
varianten van het Bavo-thema zijn, evenals authentieke hakstukken van
Pieter Muller (Hoorn, 1773, Ev. Luth. kerk), en J. H. H. Bätz, is het
verwachtingspatroon ontstaan, dat alle orgels van Muller wel iets in dié
geest gehad zullen hebben. Weerspreken de bakstukken van Westerbork die
gedachte? Misschien wel. Maar er zijn er ook die menen (en dat is dan het
tweede bijzondere element), dat deze bakstukken niet uit 1726 kunnen zijn.
De grillige vorm waarbij de bladmotieven naar schuimwerk neigen lijkt
inderdaad niet in overeenstemming met het bouwjaar en de thema's van het
blinderingssnijwerk. Geen enkele Post van de onderhoudsbetalingen wijst
echter op ingrijpend herstel of verfraaiing. Ook passen de bakstukken niet
in het stijlbeeld van 1792, noch in de stijl van het huis Van Gruisen.
Behalve de beschreven bakstukken omvat een zware ebben geprofileerde
onderlijst het klavier, in deze vorm is wel degelijk de hand van Muller te
herkennen. Het klavier bezit ivoorbeleg op de ondertoetsen, gelijmd, twee
delen per toets. De bruine houten boventoetsen hebben dun ebben beleg.
Toetsmaten: totale lengte 11,2cm, voorste deel 3,8 cm, boventoets onderaan
resp. bovenop 7,1/6,8 cm. De frontons zijn van lichtbruin hout, iets
gewelfd (niet geprofileerd). Er is een eiken pedaalklaviertje van 15
toetsen. Het raam meet 65,6 x 47,7 cm, de boventoetslengte is 7,5 cm. Het
orgel heeft een oud grenen orgelbankje, aardig model, zwart geschilderd.
De registerknoppen zijn origineel, bruin, ongeschilderd hout, kort model
knop. De registeropschriften staan op witte houten tabletten, letters
zwart, kapitaal, romein, met schreef. Aanduidingen voor Bas en Disc.
ontbreken bij halve of gehalveerde stemmen.
Windvoorziening
Achter het orgel staat een balgenkas waarin drie oude
spaanbalgen zijn opgesteld. Aan de noordzijde zijn de drie treden
aangebracht. Van de balgenkas gaat een hoofdkanaal naar net orgel, over de
vloer. Hierop in de onderkas een kastje met een inliggende Tremulant.
Vervolgens een aftakking naar C- en Ciskant, elk met een eigen Afsluiting,
die tegelijk door één knop bediend worden. Tenslotte de
eiken kanalen naar de lade. Alle kanalen en overige delen zijn van eiken.
Windlade
De windlade is van eiken. Ongedeelde lade, met desondanks twee
kanaalingangen. Stokken en roosters zijn ook van eiken. De ventielkast
heeft twee inliggende voorslagen, vastgezet met ijzeren klemmen. De
cancelindeling is: b
Mechanieken
Voor het pedaal is er een eiken walsbord in mooi gebogen vorm,
walsen grenen, nokken eiken, armen eiken. Het Manuaal bezit een eiken
walsbord, eiken walsen in eiken nokken, armen van ijzer. In de nokken rode
kemlaken invoering, gehandhaafd werk uit 1953. Tussen klavier (eiken
staartklavier) en walsbord twee eiken winkelbalken met messing
winkelhaken, nieuw. Horizontale abstractuur oud, eiken, verticale
abstractuur nieuw, eiken. Draadwerk nieuw. In de onderkas zijn, onder de
registerknopen, merkwaardige 'vloertjes' aangebracht, grenen. Staande
walsen draaien hierin, klampjes voor horizontale walsen zijn hierop
bevestigd. Alle walsen zijn van eiken, achtzijdig. Staande walsen bezitten
ijzeren armen, liggende walsen eiken armen. De sleep-bevestiging is
uiteraard aan de zijkanten van de lade. Ter plekke zijn ijzeren hefbomen
aangebracht in een grenen regel met as. Waar de hefboom door de sleep
heensteekt, is de sleep met een messing plaat versterkt.
De dispositie luidt (volgens nomenclatuur aan de klaviatuur).
|
Praestant |
8 voet |
C en Cis binnen, metaal, open, rond ingeritste labia, zijbaarden;
D-b |
|
Roerfluit |
8 voet |
Geheel metaal; grootste pijpen 1726, rond ingeritste labia, zijbaarden; omdat papier bij hoeden vergaan was en de losse hoeden zeer ruim zijn is nieuw afsluitmateriaal aangebracht~ modern materiaal op katoenbasis |
|
Octaaf |
4 voet |
|
|
Quint |
3 voet b/d |
Gewreven labium, geen belijnde vorm, losse hoeden, zijbaarden |
|
Octaaf |
2 voet |
|
|
Sexquialter |
III sterk |
Pijpwerk 1987; samenstelling: c1= 2 2/3, 1 3/5, 1 3/5 voet |
|
Mixtuur |
III sterk |
Grotendeels oud pijpwerk, samenstelling hersteld in 1987, hier en
daar aanvallend pijpwerk, 1987; samenstelling:
|
|
Trompet |
8 voet b/d |
Stevels en koppen eiken, om de stevels een perkamenten band met de toonhoogteletters, nieuw aangebracht in l 987, messing kelen, iets schuin aan de onderkant, tongmateriaal grotendeels oud |
|
Tremulant |
|
|
|
Windlosser |
|
|

Gewassen inkt tekening door Maarten 't Hart, Balkbrug. Gemaakt in 1997.
Enkele algemene kenmerken van het pijpwerk
Uitgezonderd frontpijpen en grotere binnenpijpen lijkt alle
labiaalpijpwerk ouder dan 1726 te zijn. Het pijpwerk heeft een donkere
metaalkleur, een hoog loodgehalte maar een dunne wand en is derhalve toch
licht van factuur. Nergens is een belijnde labiumvorm te zien, behalve bij
grotere pijpen uit 1726. Toonhoogteletters meestal aan de voorkant, maar
ook bij de kruising van soldeernaden, rechts. Op veel (alle?) pijpen een
cancelnummer, zoals we uit het werk van Schwartsburg kennen.
Indruk
Bij het orgel van Westerbork is toch echt wel sprake van een
'Doornroosje'-geval. Het afdankertje, dat tengevolge van een totaal gebrek
aan financiële middelen alle stormen overleefde en 'het haalde'.
Friesland heeft in de welvarende 19de eeuw immers weinig respect getoond
voor de roem van de uit andere streken afkomstige orgelmakers Schnitger en
Muller, en de kwaliteit van hun werk als niet passend in de tijdgeest
verworpen. Schnitgers werk verdween daardoor bijna geheel, van Muller ging
het charmante orgel van Menaldum in 1861 spoorloos ten onder en verloor
het Leeuwarder orgel gedurende 10 opeenvolgende Van Dam-restauraties
(tussen 1802 en 1928) balgen, manuaalladen, klaviatuur, mechanieken en
meer dan de helft van het pijpwerk. Wanneer dan een werk van deze Muller
onverwacht gelokaliseerd kan worden, en zó compleet, in technisch
opzicht, bewaard blijkt te zijn, is er toch sprake van een verrassing van
formaat. De nu uitgevoerde restauratie heeft bewerkstelligd, dat ondanks
verschuivingen, verplaatsingen en ander gepruts ook het klankbeeld van dit
gave orgel kon worden teruggewonnen. Ik moet er hier aan herinneren, dat
slechts weinig pijpen van Muller/Schwartsburg zijn. Het merendeel is
ouder.
Tóch kan worden gehoord, dat er sprake is van een Müller-concept.
Wat we als kenmerkend voor Muller hebben leren onderscheiden, een
intensieve, in de hogere prestantregisters snijdende klank met een zeer
grote versmelting in het plenum, is ook hier aanwezig. Vooral de Quint 3
vt disc. en Octaaf 2 vt dragen tot dat snijdend karakter bij, de Mixtuur
is door zijn samenstelling, het gering aantal koren en de intonatie in
zichzelf milder. Opvallend is de bereikte perfectie in versmelting tussen
Mixtuur en Sexquialter wanneer ze samen worden gebruikt met de
grondstemmen. Bijzonder is de klank van de Roerfluit 8 vt: een duidelijk
Roerfluit-karakter, maar daarnaast vooral vol met een meditatieve
ondertoon. De Roerquint 3 vt werkt heel overtuigend als versterker van de
grondtoon. Met de Trompet is het merkwaardig gesteld. Alleen beluisterd
overtuigt het register allerminst. Een scherpe, wat kelige è-klank
die te weinig evenwicht met de grondtoon lijkt te hebben. Maar in
combinatie met plenumregistraties gebeurt er iets wonderlijks. De
boventoonrijkdom van de labiaalstemmen grijpt samen met die van de Trompet
en de duidelijke grondtoon van de grondstemmen vult dat gebrek bij de
Trompet aan. Desondanks zal nog wat aan details gewerkt worden, met name
aan de sterkte van het klein octaaf. Ook een onwillige frontpijp (eis')
heeft nog de aandacht. Dit bereikte klankbeeld is echter allerminst
vanzelfsprekend tevoorschijn gekomen. Daarom is groot respect op zijn
plaats voor het minutieus gepuzzel, de kennis van en het begrip voor het Müller-klankbeeld,
en het vakmanschap om dit alles weer hoorbaar te maken.
Noten en bronnen
|
1 |
Beide bestekken in: Archief Hervormde Gemeente Beetgum (Rijksarehief Leeuwarden), mv. nr 83 |
|
2 |
Rijksarchief Leeuwarden, |